Hof: automatische detentie illegale migranten op Curaçao onrechtmatig

WILLEMSTAD – Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie heeft bepaald dat het enkele feit dat iemand Curaçao illegaal is binnengekomen, geen geldige reden is om die persoon in vreemdelingenbewaring te stellen. Daarmee bevestigt het Hof de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao dat eerder ingrijpen van de minister van Justitie ongegrond verklaarde. Volgens het Hof ontbreekt een wettelijke basis om automatisch over te gaan tot detentie van personen die zonder geldige documenten per boot het eiland bereiken.
De zaak betrof twee Venezolanen die op 27 december 2023 met een zogenoemde lancha Curaçao binnenkwamen en direct in bewaring werden gesteld. Pas een maand later vroegen zij bescherming aan op basis van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De minister wees dat verzoek af en handhaafde de detentie, ook nadat bezwaar was aangetekend.
Juridische kern
De kern van het juridisch geschil draaide om de vraag of illegale binnenkomst op zichzelf grond biedt voor detentie. De minister stelde van wel, onder verwijzing naar artikel 19 van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu). Volgens het Hof biedt dat artikel wél een basis voor verwijdering, maar níét voor het opleggen van vreemdelingenbewaring. Het Hof wijst daarbij op het rechtszekerheidsbeginsel: er moet een duidelijke, toegankelijke en voorzienbare wettelijke grondslag zijn om iemand van zijn vrijheid te beroven.
Uiterst middel
Het Hof bevestigt daarnaast dat detentie altijd een uiterste middel moet blijven (ultimum remedium). De minister moet eerst toetsen of er lichter alternatieven zijn, tenzij sprake is van aantoonbaar risico op onttrekking aan toezicht of verstoring van de openbare orde.
Hoewel die toetsing hier niet expliciet is gemaakt bij het eerste gehoor, acht het Hof dit in dit geval niet onrechtmatig. In één geval – een vrouw met astma – is het lichter middel wel overwogen, maar acht de minister, mede gelet op de medische voorzieningen in detentie, dat geen reden om af te zien van bewaring.
Voortvarend
Uiteindelijk oordeelt het Hof dat de voortduring van de bewaring vanaf 27 juni 2024 onrechtmatig is, omdat de minister ruim zes maanden deed over de afhandeling van het bezwaarschrift tegen de afwijzing van het beschermingsverzoek. De minister heeft daarvoor geen verklaring gegeven. Daarmee heeft hij niet voldaan aan zijn plicht om voortvarend te handelen bij personen in detentie.



































